Het instrument:

 

 De Plesshoorn:

Hertog Hans Heinrich von Pless (1833 - 1909), Opperjachtmeester van de Duitse keizer Wilhelm I (1797 - 1888) stond aan de wieg van de kleinere hoorn die nu nog zijn naam draagt: de Plesshoorn. Deze kleine hoorn was bij de infanterie een normaal signaalinstrument. Je ziet de hoorn daarom ook in veel infanterieemblemen terug.

Vanuit het leger via de keizerlijke jacht vond de hoorn zijn weg naar de gewone jager. De Plesshoorn is handzaam en goedkoper dan de parforcehoorn.  Bovendien was de parforcehoorn toch een 'Frans' instrument; een negatief sentiment dat ook bijdroeg aan de opkomst van de Plesshoorn.

 

  

De parforcehoorn:

Via de Franz Anton von Sporck kwam de trompe de chasse dus in het Duitse taalgebied. In Bohemen en Wenen bouwden bijvoorbeeld de gebroeders Leichamschneider verder aan de hoorn en kwam er bijvoorbeeld de stempijp bij. Door een iets andere bouw, een bredere buis en een langere kelk kreeg de hoorn een 'ronder' en 'warmer' geluid. Langs deze weg ontstond de Duitse traditie van het hoorn blazen. Weliswaar een hoorn, maar met een volstrekt ander geluid dan de Franse trompe de chasse. Andere fameuze hoornbouwers in die tijd zijn Eichentopf, Ehe en Haas.

De Dresderner Anton Hampel kwam op het idee om de toon te beïnvloeden door de hand in de kelk te steken: het 'stoppen'. Deze Anton Hampel bouwde samen met de hoornbouwer Johann Werner de eerste 'inventionshoorn'. Door kortere of  langere stukken buis aan een bestaande hoorn toe te voegen, konden ze zo de lengte van de buis en zo de toonhoogte bepalen.

De uitvinding van ventielen is de volgende belangrijke stap in de verdere ontwikkeling van de hoorn. Op 12 april 1818 krijgen Heinrich Stölzel en Friedrich Blü(h)mel het patent op de uitvinding van het pistonventiel van het 'Koninklijk Pruisische Patentamt'. Een, drie of vier ventielen - zoals op de Franse hoorn - kwamen op de hoorn. En rond 1832 vindt de Wener Joseph Riedl of de heer Kruspe het draaiventiel uit.

Ook de Duitse traditie kende zijn ups en downs. De Oostenrijkse keizer Karl VI die bij von Sporck de hoorn leerde kennen, organiseerde zijn eigen 'Hofmuziek' in het Lainzer Jacht- en Wildpark.  Bij gelegenheid van het 25-jarig huwelijk van keizer Franz Jozef en zijn Elisabeth (Sissi) componeerde Joseph Schantl een aantal fanfares die op de optochtroute door 200 000 mensen werden gehoord en gewaardeerd. Als gevolg daarvan ontstond de 'K.u.K. Hofjagdmusik im Tiergarten naechst Lainz', die later de' Lainzer Jagdmusik' ging heten en overging in de 'Wiener Waldhornverein'.

In 1968 heeft de DJV een notenboekje met de jachtsignalen voor Pless- en Parforcehoorns uitgegeven. Door Reinhold Stief zijn daar sinds 1972 nog negen notenboekjes voor Pless- en parforcehoorn in B en Es aan toegevoegd. Hiermee is de standaardisering een feit.

Het enkele ventiel op de parforcehoorn is er in 1962 bij gekomen. Hermann Neuhaus vulde de parforcehoorn aan met een draai- of cylinderventiel waardoor de toonladders van B (zonder gebruik van het ventiel) en Es (met gebruik) gespeeld kunnen worden op een-en-dezelfde hoorn. Daardoor werd het spelen van meer gesofistikeerde muziekstukken op de parforcehoorn mogelijk. Zeker als er in meerdere stemmen samen gespeeld wordt. 


De jacht:

De Parforcehoorn en de Plesshoorn worden nu gebruikt om mee te communiceren tijdens een jachtdag. ( Aanvang van de drift, einde schieten, drijvers verzamelen en halali). Is er succesvol gejaagd, dan worden de hoorns gebruikt bij het tableau om de doodsignalen te blazen en het geschoten wild de laatste eer te bewijzen.

Tijdens zo'n jachtdag worden de hoorns ook gebruikt om elkaar te begroeten, ermee 'zum essen' geblazen en bij het afscheid. 

Maar er wordt ook voor eigen plezier geblazen in groepsverband of alleen. 

De